Het waren twee koningskinderen
/admin/files/11/intropic_1230370723_thumb.jpg

Het waren twee koningskinderen, zij hadden malkander zo lief
Zij konden bijeen niet komen, het water was veel te diep.
Wat deed zij, zij stak op drie kaarsen, als ‘s avonds het dagelicht zonk
“Och liefste, kom zwemt er over” Dat deed ’s kongings zone – was jonk.

Dit zag daar een oude kwene, een al zo vilijnig vel
Zij gink er dat licht uitblazen, toen smoorde die jonge held.
“Och moeder, mijn liefste moeder, mijn hoofdje doet mij er zo wee!
Mocht ik er een wijle gaan wandelen, wandelen al langs de zee”.

“Och dochter, mijn liefste dochter, allene moogt gij daar niet gaan
maar wekt uwe jongste zuster, laat die met u wandelen gaan”.
“Och moeder, mijn jongste zuster is nog een zo kleinen kind,
zij plukt er wel alle de bloemkens die zij onderwege vindt.

Zij plukt er wel alle die bloemkens, de bladerkens laat zij staan.
Dan klagen die lieden en zeggen: dat hebben ’s konings kinderen gedaan”.
“Och dochter, mijn liefste dochter, allene moogt gij daar niet gaan
maar wekt uwen jongste broeder, laat hem met u wandelen gaan.”

“Och moeder, mijn jongste broeder is nog een zo kleinen kind,
hij loopt er naar alle de vogels die hij onder wegen vindt”
De moeder ging naar de kerke, de dochter ging hare gang
Tot zij er bij het water een visser, haars vaders visser vand.

“Och visser,zo sprak zij, visser, mijn vaders visserkijn,
gij zoud er voor mij eens vissen, het zal u gelonet zijn”.
Hij smeet zijne netten in ‘t water, de lodekens gingen te grond
In ’t korte was daar gevisset ‘s konings zone, van jaren was jonk.

Wat trok zij van haren hande? Een vingerlink rode van goud.
“Houd daar”, zeide zij , “goede visser, “deez vingerling rode van goud”
Zij nam toen haar lief in haar armen en kuste hem aan zijne mond.
“Och mondeken, kond gij spreken, och herteken waart gij gezond!

Zij hield er haar lief in haar armen en sprong er met hem in de zee
“Adieu” zeide zij, “schone wereld, gij ziet er mij nimmer meer.
Adieu, o mijn vader en moeder, mijn vriendekens alle gelijk.
Adieu mijne zuster en broeder, ik vare naar ’t hemelrijk”.


Meer info

Dit gedicht gaat over de kloof tussen twee mensen die van elkaar houden, maar niet bij elkaar kunnen komen, soms omdat anderen dat niet willen..
Het symbolische water is diep. Het meisje ontsteekt drie kaarsen als baken om aan de overkant te kunnen komen, maar die worden door een boze heks uitgeblazen. De verliefde jongeling wordt, terwijl hij overzwemt, de verkeerde kant op gestuurd. Hij verdrinkt en van smart springt ook het verliefde meisje het water in, zodat zij elkaar in de dood alsnog vinden.


De oudste versie van dit gedicht komt voor in een handschrift dat zich bevindt in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, en dat afkomstig is uit klooster in Dordrecht, ca 1525. De versie die je hier gelezen hebt, komt van J.F. Willems (1848).






Over deze website | Help | Privacy | International | Contacteer ons
Nabbi © 2019, Belgische Bisschoppenconferentie. Alle rechten voorbehouden.